De Belvedère van domein Sorghvliedt (1)

Gedurende de zomerperiode  kan u in park Sorghvliedt terecht voor een buitenexpo over de belvedère.
Na jaren van politiek touwtrekken en palaveren, wordt het fraaie gebouwtje gerestaureerd. Na het bouwverlof starten de werken. Eindelijk. Het mag een wonder heten dat de belvedère overeind is gebleven.
Vorige eeuw werd heel wat van het bouwkundig erfgoed opgeofferd aan de vooruitgang en wat restte, kon op slechts weinig respect rekenen. De gebouwen die overleefden kregen een nieuwe functie. Dat was geen onverdeeld succes. Er werd "gerenoveerd" en aangepast dat het een lieve lust was, zonder zich al te veel van de oorspronkelijke inrichting aan te trekken. Soms bleef een gebouw gewoon leegstaan waardoor het proces van verval versneld werd, want geen onderhoud betekent vocht, schimmels, etc. en een hoger risico op vandalisme. Jaar na jaar zagen we de belvedère verkommeren.

M'as-tu vu?

Belvédére ca. 1950
In de onmiddellijke omgeving van Antwerpen treffen we nog heel wat domeinen aan die refereren aan de grandeur van de stad en enkele van haar bewoners. Wie het hierbij graag heeft over de "goede oude tijd" moeten we echter ontgoochelen. De stad was vuil. Ze stonk, krioelde van het ongedierte en het gevaar loerde om elke hoek. De vlieten waren open riolen. Wie over het nodige kapitaal beschikte, ontvluchtte de stad. De adel, gevolgd nadien door de hoge burgerij, kocht gezonde lucht buiten de stad, al behoorde een stadstuin ook tot de mogelijkheden. Wie een aangelegd park of een tuin rond een hof van plaisantie bezat, had aanzien en een goed stuk van het socio-culturele leven speelde zich er sinds het einde van de 16de eeuw af. Dat was nog zo tot het einde van de 19de en zelfs nog het begin van de 20ste eeuw.
De doorgedreven urbanisatie na de Eerste Wereldoorlog en de politieke en sociale veranderingen die daarmee gepaard gingen, leidden tot onteigening en verkaveling van deze domeinen.
De buitenverblijven werden veelal gesloopt en de gronden verkaveld tot woonwijken.


Boven: Kasteel Moretusburg. Afgebroken in 1979.
Onder: Hof van Brabant, ooit bezit van de familie Van Ertborn. Afgebroken ca. 1910.
Hier en daar ontsnapte een gebouw aan de sloop en nam een openbaar bestuur er zijn intrek. Dat gebeurde niet steeds met het nodige respect voor het architecturale erfgoed, maar het gebouw bleef tenminste bewaard. De omliggende tuin, of wat ervan overbleef, werd openbaar park.
Ondanks zware ingrepen zoals het kappen van bomen, het aanleggen van verharde wegen en sportterreinen, het verknoeien van het oorspronkelijk perspectief, zichtassen en panorama door het toevoegen van nutsgebouwen, vertoont de overgebleven groene ruimte hier en daar nog mooie deelaspecten van de oorspronkelijke bedoelingen van de eigenaar en de tuinarchitect.
Bewaard en gerestaureerd, maar niet in de oorspronkelijke toestand. De hoge gevel werd verbouwd. Ter vergelijking onderstaande kaart van het begin van de 20ste eeuw.
Een deel van het domein werd verkocht en verkaveld. Dwars door de tuin, achter het gebouw, werd de  Rode Kruislaan  aangelegd .

In de loop der eeuwen hebben de eerste Renaissancetuinen in Europa als gevolg van mode en smaak belangrijke wijzigingen ondergaan. Aanvankelijk zijn de Franse geometrische tuinen de standaard. Gaandeweg vindt over heel Europa de meer "natuurlijke" Engelse landschapsinrichting ingang.

In die parken en tuinen waren op strategische plaatsen – soms om het perspectief te begrenzen – vaak meerdere constructies ingeplant. Deze door de architect en kunstenaar zelf getekende of vervaardigde in plaats van door de natuur gevormde “kunstwerken” varieerden zowel qua materiaal als qua vorm: beelden en beeldengroepen, tuinvazen, fonteinen, zonnewijzers, bruggetjes, waterbekkens, niveauverschillen met terrassen en trappen en zuilen, artificiële grotten en rotspartijen… Eén soort constructie is vaak en opvallend aanwezig: een belvedère, een paviljoen, een prieel.

Belvedère komt van het Italiaans bello (mooi) en vedere (zien). Het is een klein gebouw of constructie, vaak geplaatst op een kunstmatige verhoging in het landschap, bedoeld om van een mooi uitzicht te genieten. Belvedères hebben vrijwel steeds iets pronkerigs. Zien en gezien worden, dus. De kunstenaar en de tuinarchitect hebben immers hun dikwijls speelse fantasie de vrije loop kunnen laten. De constructies variëren van onooglijke prieeltjes van hout tot volwaardige gebouwen. Zij moeten enige beschutting en afscherming geven. Ze vormen een rustpunt in de tuin en bieden een blik over het eigen kasteeldomein.

Vanaf de 17de eeuw bezit vrijwel elk groot domein een ijskelder. Die zit doorgaans verborgen in het park, in de buurt van de vijver waar ’s winters het ijs uit gehaald werd. Vaak werden ijskelders in het landschap ingepast door bovenop de kunstmatige ophoging een gloriëtte of een tempeltje te plaatsen.
Bij deze specifieke en gevarieerde architectuur is, naast de vormentaal, de inplanting in het landschappelijk geheel van cruciaal belang.

De belvedère van Sorghvliedt

Geschiedenis
In de 16de eeuw bevond zich op deze plaats een grote hoeve Winckeleynde genaamd. Omstreeks 1550 bouwde Aerd de Beuckeleer er een bescheiden huis van plaisantie. In 1560 behoorde het toe aan Jean Placquet, een koopman, en zijn echtgenote Maria Leydeckers. Zij lieten op de plaats van het huidige kasteel een groter speelhof bouwen in Vlaamse renaissancestijl. Tussen 1660 en 1690 is het buitengoed eigendom van Maria Tholinckx die het de naam Sorghvliedt geeft.
De hoeveactiviteit werd nagenoeg stilgelegd. In de jaren 1745 en 1750 liet Arnold du Bois het speelhuis grondig verbouwen tot het huidige rococokasteel naar ontwerp van architect Jan Pieter van Baurscheit de Jonge.
Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden opgetekend op initiatief van 
Jozef Johann Franz graaf van Ferraris (1771-1777) Detail uit de overzichtskaart  n° 73, Rupelmonde
In 1757 laat Arnold Henri Jean du Bois bij testament het domein over aan zijn enige dochter Jeanne Louise Joséphine du Bois. Bij kinderloos overlijden gaat het naar een ander familielid. Het goed komt zo in handen van Charles Joseph Marie du Bois (de Nevele) die het in 1807 wil verkopen. Het is dan 22 ha groot.
Het opmetingsplan van 1811 geeft duidelijk de geometrische tuin weer.
De verkoop ging pas in 1815 door. Het domein werd verkocht aan Jean Kramp en zijn vrouw Thérèse Reyniers. De akte, verleden in november van dat jaar voor notaris Egide Podor, beschrijft de verschillende onderdelen van het domein, het huis (kasteel) met tuinen, de pachthoeve, verschillende dreven en een bos met de ijskelder tegen de Broydenborglaan. Een ijskelder, geen belvedère in de opsomming. Meteen stellen wij ons de vraag of daar nog resten van zouden terug te vinden zijn. De akte geeft ons hoe dan ook een duidelijke terminus a quo.
Het is deze nieuwe eigenaar die wellicht vanaf 1816 de geometrische barokke Franse tuin verving door een Engelse landschapstuin.
In 1856 wordt het domein bij openbare verkoop verworven door Augustin van de Werve de Vorsselaer, voor rekening van de vijf kinderen van Charles Moretus die na het overlijden van hun vader onder de voogdij van hun oom waren geplaatst. In 1862 komt Sorghvliedt in handen van Ludovic Moretus. Bij de aanleg van fort 8 werd de kasteeltuin duidelijk ontzien. Wel viel hij geheel binnen de zone van de krijgsdienstbaarheden.
In 1923 vestigt dokter van de Wildenbergh zich in het kasteel om het in 1937 aan de gemeente te verkopen.

Ligging
Het paviljoen bevindt zich aan de rand in het zuid-westelijk deel van het park op een kunstmatige heuvel die vroeger door middel van begroeiing een visuele verbinding maakte met de vijvers rond het kasteel Sorghvliedt. Oorspronkelijk lag de belvedère niet op de rand van het domein maar er midden in. Rond 1860 werden grote stukken van het domein (weilanden en landbouwgrond) afgenomen voor de bouw van Fort 8 (Brialmontvesting) en de aanleg van de Krijgsbaan.
Omstreeks 1950 is de zichtas nog duidelijk herkenbaar
Huidige toestand 2016
Beschrijving
De belvedère op het domein Sorghvliedt is een rechthoekig, bepleisterd bakstenen gebouwtje met classicistische stijlkenmerken van één bouwlaag onder plat dak. In het ingebogen front past een monopteros, een ronde zuilentempel (rotonde) met koepel, voor de helft ingebouwd. Het gesloten gedeelte heeft een omlopende gootlijst op houten klossen, verhoogd met een pseudo-attiek.
Toestand 2010
Een rond soort 'kussen' (echinus) vormt met de abacus
(vierkante dekplaat), het kapiteel.
Zowel het front van de twee zijgebouwen, als de twee zijmuren zijn geopend met een raam, afgesloten met persienne-luiken. Aan de achterzijde is een toegang met links en rechts een raam, met gelijkaardige luiken. Deze toegang wordt gevormd door een kleine binnenwaarts gerichte voorhal met drie treden, gemarkeerd door een pseudo-portiek samengesteld uit twee vlakke pilastervormen en twee gemetselde en bepleisterde zuilen, boven met elkaar verbonden door een onversierde architraaf-balk. De pilasters zijn zonder kapiteel en hebben een plint als basement; de verjongende zuilen hebben een echinusachtig kapiteel en een rudimentair basement. De ruimten, links en rechts tussen de pilasters en de zuilen zijn dichtgemetseld. De achterwand van de hal is versierd met een blinde rondboog met sluitsteen en imposten. De toegang tot het gebouwtje was vroeger in de kleine voorhal, in de zijwand van het west - paviljoen.
Door de monumentaliteit van de zuilen van de tempel verheft de koepel zich vrijstaand boven het rechthoekige paviljoen.

Op een podium, aan de open voorzijde toegankelijk met drie treden, staan zes bepleisterde zuilen met Toscaans-Dorisch basement en kapiteel in hardsteen. De twee voorste zuilen staan vrij, van twee is de schacht voor een kwart ingemetseld in de hoeken van de zijvleugels. De overige twee zijn voor de helft ingemetseld in de achterwand tot op de hoogte van het dak van het paviljoen. Het klassieke hoofdgestel rust op een trapeziumvormige abacus, de omlopende kroonlijst rust op klossen. Het geheel wordt bekroond door een half-sferisch houten koepeldak met leien.

Datering
De architect van dit merkwaardige gebouwtje kennen we niet. De stijl in acht genomen, situeert de bouw zich ten laatste in het tweede kwart van de 19de eeuw. Ook de schaarse archivalia wijzen in die richting. In 1811 werd, zoals boven vermeld, een 'opmetingsplan' uitgevoerd.
Op dit plan wordt nog de oude toestand - de geometrisch aangelegde tuin – weergegeven. Omstreeks 1830 maakte men een nieuw kadastraal plan op met de “nieuwe toestand”.  Hierop komt de constructie wél voor. In de zuidwesthoek van het park, binnen de waterpartij is een rechthoekig gebouw ingetekend. Het gebouw heeft een eigen perceelnummer (482) en aan de noordzijde zijn vier rode puntjes te zien, mogelijk een vereenvoudigde weergave van de zuilen van de tempelrotonde. Dit plan geeft ons een terminus ante quem voor het ontstaan van het Belvedèrepaviljoen.
Het Belvedèrepaviljoen werd gebouwd tussen 1816 en 1830.
De bouw van de Belvedère zou in tijd dan te situeren zijn in de buurt van kasteel Moretusburg (ca. 1825), dat eveneens een (gesloten) rotonde met koepel kreeg, en dat vanaf dit kunstmatig heuveltje ongetwijfeld zichtbaar was.

Ook van dit kasteel is de bouwmeester onbekend, maar het is niet denkbeeldig dat er tussen beide constructies een verband bestaat.

IJskelder
Uit de archivalia weten we dat er zich destijds op het domein aan de kant van de Broydenborglaan een ijskelder bevond.  Het gaat dan over de periode voor het aanleggen van de landschapstuin. De exacte locatie van deze ijskelder is ons niet bekend.
De uiterlijke kenmerken van het gebouw, het volume van de kunstmatige heuvel en de nabijheid van de vijver maakten de aanwezigheid van een ijskelder ook onder het paviljoen plausibel. Enkel onderzoek van de ondergrond kon duidelijkheid brengen. Boringen gaven een negatief resultaat.

Verval
Belvédère  in 1988
Door het onzorgvuldig verwijderen van de beplanting op de helling en het veelvuldige gebruik is een sterke erosie ontstaan waardoor de fundamenten van het gebouw gedeeltelijk bloot liggen. Het metselwerk van die fundamenten is nochtans in goede staat. Het paviljoen is verregaand verwaarloosd en vervuild (kadavers van vogels, uitwerpselen, nesten en graffiti) en ook de constructie zelf verkeert in een zorgwekkende toestand. De koepel vertoont een groot gat, het dak van de achterbouw eveneens. De daken van de zijvleugels zijn helemaal ingestort.
2004 

2004

2007
2007








Alle wanden van het interieur waren ooit bepleisterd en kregen een afwerkingslaag in kalkverf. In het westelijk deel van het paviljoen zijn er op de wanden fragmenten van geschilderde muurdecoraties bewaard. Op vele plaatsen is de bepleistering door waterinsijpeling beschadigd of verdwenen. Ook zijn de meeste bepleisterde bakstenen ornamenten beschadigd. De persienne-luiken zijn ofwel zwaar beschadigd ofwel verdwenen. Hier en daar rest nog wat hang- en sluitwerk. Het houtwerk, zoals vloerconstructies en omlijstingen, is grotendeels verrot.
Het is bijzonder betreurenswaardig dat men een dergelijk zeldzaam stuk architectuur dat bovendien beschermd is (2), tot deze toestand liet vervallen .
Binnenzicht 2007
Binnenzicht 2007
Uniek
Dit soort prieeltjes was in het begin van de 20ste eeuw nog talrijk aanwezig in de lusthoven van de adel en de hogere burgerij in de voormalige Antwerpse buitenijen. Voor zover wij konden nagaan is dit "tempeltje" de enige overgebleven dergelijke constructie op Antwerps grondgebied. Het onderstaande voorbeeld in het Nachtegalenpark is immers al lang verdwenen.
Nachtegalenpark
Echt talrijk zijn deze paviljoenen dus niet meer. Een paar mooie overgebleven voorbeelden uit Vlaanderen willen we u niet onthouden. In het park van de Landcommanderij Alden Biesen vinden we de Minervatempel, een mooi voorbeeld van een paviljoen in de vorm van een monopteros. Een deel van dit domein werd al in 1785 aangelegd als Engelse tuin.
Minervatempel in Alden Biesen
In Wespelaar vinden we het Florapaviljoen. Dit tempeltje bekroont geen ijskelder maar een fruitkelder.
Florapaviljoen Wespelaar
Dit tempeltje staat in Brugge bij het Arentshuis.
Arentshuis Brugge
In het park van Brasschaat tenslotte, treffen we dit exemplaar aan.
Park Brasschaat
Verwante constructies, waarbij een rotonde wordt gecombineerd met een rechthoekig gedeelte, vinden we in België o.m. in Hingene en Seneffe.
Hingene, Paviljoen De Notelaer (1792 - 1797) - Scheldekant
Theaterpaviljoen van Seneffe (ca. 1780)
Hoboken telde flink wat hovingen en buitenplaatsen, maar inzake tuinarchitectuur vonden we slechts weinig sporen. Tot 1908 is er nog het d'Urselpaviljoen aan de Antwerpsesteenweg. Ook dat paviljoen had een ronde vorm, maar geen koepeldak. Het paviljoen werd afgebroken voor de verbreding van de straat.
Hoek d'Urselstraat ca 1908
Bij kasteel Moretusburg stonden enkele eenvoudige prieeltjes (met strodak) zoals we vandaag nog een gelijkaardig exemplaar (met leien dak) aantreffen bij het Gravenhof. 
Tuinprieeltjes met strodak bij Moretusburg
Prieel bij het Gravenhof
Van de onmiddellijke omgeving vermeld ik tenslotte de onlangs gerestaureerde Aubette en Gloriëtte (boothuisje) in het Middelheim en in de wat verdere omtrek de Gloriette in Ravensbos, Putte, die van een heel ander type zijn.
Aubette Middelheim
Gloriëtte Middelheim, gebouwd als buitensalon.

Gloriëtte Raversbos Putte
Restauratie
Allereerst worden de  dode vogels verwijderd en het hele gebouw grondig gereinigd. Raam- en deuropeningen worden terug opengemaakt en de cementlaag aan de buitenkant wordt verwijderd zodat de oorspronkelijke bepleistering in kalkleem weer zichtbaar wordt.

Op de muren aan de binnenkant werden de kleurlagen onderzocht. Er werden restanten van paneelschilderingen teruggevonden. Die zijn zeer fragiel, en moeten gefixeerd worden in de ondergrond. Er wordt een nieuwe kalkbepleistering aangebracht in een sobere kleur aansluitend bij de classicistische stijlkenmerken.

De houten koepelconstructie werd zwaar aangetast door vochtinsijpeling. Maar op basis van de bewaard gebleven originele elementen zal men een reconstructie maken van deze unieke koepel. Er werden zes verschillende soorten houtverbindingen gevonden in deze koepel die ontdubbeld werd in een buiten- en een binnenschil.

Om het gebouw te kunnen gebruiken, wordt elementair meubilair voorzien, water en elektriciteit.

Heraanleg
Op sommige plaatsen spoelde de heuvel meer dan 50 cm weg. Hierdoor is de belvedère haast ontoegankelijk geworden. De heuvel wordt hersteld en nieuwe toegangswegen worden gecreëerd.
Rondom de monumentale bomen worden grastaluds gemaakt. Jonge bomen worden gerooid. Maar tegelijk worden er nieuwe aangeplant om de oude beuken te beschermen tegen de zon.

De zuidkant van de heuvel wordt ingezaaid met stinzenplanten (3) en grassen. Stinzenplanten horen thuis op oude buitenplaatsen en landhuizen. Op dit moment is dit soort planten al op de heuvel aanwezig. Ze zorgen voor het fixeren van de bodem. Sommige zijn daar lang geleden geplant, verwilderd en massaal ingeburgerd. Het zijn vooral in het voorjaar bloeiende bol-. knol- en wortelstokgewassen zoals sneeuwklokjes, krokussen, bosanemonen, narcissen en lelietjes der dalen.

Het pad dat aan de zuidelijke kant van de heuvel is ontstaan, wordt verwijderd. Aan de voorkant komt er een nieuw pad richting belvedère in de oorspronkelijke Engelse landschapsstijl. Aan de Krijgsbaan en achter het gebouw verbreedt het pad waardoor er een visuele verbinding ontstaat met Fort 8.

Rond het gebouw wordt een platform geconstrueerd bestaande uit een metalen draagstructuur met roosters. Het geheel staat los van het gebouw, maar door de wijze van verankering zal nieuwe erosie van de heuvel uitgesloten zijn.

Om de oorspronkelijke structuur van het domein opnieuw voelbaar en zichtbaar te maken, wordt in de mate van het mogelijke de oude kasteelgracht aan de westelijke parkrand terug opengelegd.

Herbestemming

Het gebouw is klein. De mogelijkheden voor herbestemming zijn dus eerder beperkt. De aanleg van het platform biedt recreatieve mogelijkheden. Alleszins wordt de wandelaar een rustpunt geboden met uitzicht over het park. De belvedère zelf biedt ruimte en kader voor kleine tentoonstellingen, maar ook voor vertelprojecten. ceremonies, klassieke concertjes, yoga en tai-chi lessen ...

Zelf een idee voor herbestemming? Vul de online enquête in op www.stadindialoog.be/hobokenbelvedere

Noten
(1) Met dank aan wijlen Antoine van Ruyssevelt met wie ik in de loop der jaren heel wat informatie over dit onderwerp uitwisselde.
(2) Kasteel Sorghvliedt en bijhorend park werd beschermd als monument en als landschap bij Koninklijk Besluit van 17 september 1968 (Staatsblad 6/11/1968, 10962). Het paviljoen is in dit landschap beschermd onder nr. 482a.
(3) De naam 'stinzenplanten' dook voor het eerst op in 1932 in historische beschrijvingen van oude, Friese 'stinzen' ('stenen huis').

Literatuur
Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Stad Antwerpen. Deel 3nd: Fusiegemeenten, Turnhout, 1992.
Raymond Corremans, Sorghvliedt – van buitenplaats tot districtshuis, Hoboken 1997.
Bernd H. Dams en Andrew Zega, Pleasure Pavilions and Follies. In the Gardens of the Ancien Régime, 1994.
Christine De Groote, Van Eden tot vandaag. De geschiedenis van de tuin. Leuven, 2000.
Erik de Jong en Marleen Dominicus-van Soest, Aardse Paradijzen. Deel 1, De tuin in de Nederlandse kunst. 15de tot 18de eeuw, 1996.
Eleanor P. De Lorme, Garden Pavilions and the 18th Century French Court, 1996.
Hendrik Dierickx, Geschiedenis van Hoboken, Antwerpen 1954.
Torsten Olaf Enge en Carl Friedrich Schröer, Garden Architecture in Europe, 1450-1800. From the villa garden of the Italian Renaissance to the English landscape garden, 1990.
Ehrenfried Kluckert, Europese tuinkunst van  de Oudheid tot heden, 2000.
Hans Nieuwenhuis, De ordentelycke tuyn. Historische tuinen in vogelvlucht. Formal Garden in Europe, Zutphen, 1980.
Hans Nieuwenhuis, Stijltuinen, Vijf eeuwen Nederlandse tuinkunst, Zwolle, 1981.
Restauratiedossier Belvedèrepaviljoen en heuvel park Sorghvliedt Hoboken. Bouwhistorische nota.
(TV Bormans Rozemarijn – Karuur Architecten bvba)
Restauratiedossier Belvedèrepaviljoen en heuvel park Sorghvliedt Hoboken. Inventaris en diagnosenota. (TV Bormans Rozemarijn – Karuur Architecten bvba).
Tom Turner, English Garden Design. History and styles since 1650, 1986.
Gabrielle Van Zuylen, The Garden. Visions of Paradise, 1994.

Technische termen
abacus: dekplaat van het kapiteel waarop de architraaf rust.
architraaf: het onderste dragende deel in een hoofdgestel.
attiek een versierde verhoging aangebracht onder een kroonlijst (pseudo-: wijst op een afgeleide vorm)
basement: het verbrede voetstuk van een kolom of pilaster.
echinus: rond stenen kussen onder de abacus van een Dorisch kapiteel.
entablement: breed horizontaal lijstwerk, naar klassiek voorschrift bestaande uit `architraven`, `friezen` en `kroonlijsten`.
hoofdgestel:een breed, horizontaal lijstwerk.
kapiteel: bekroning van een zuil, pijler of pilaster, vaak voorzien van beeldhouwwerk.
klos: een uit de muur stekend houten of gemetseld blokje met als doel uitstekende onderdelen van een gebouw te ondersteunen.
kroonlijst: lijstwerk dat een entablement bekroont.
monopteros: rond, zuilvormig gebouw met koepeldak.
pseudo-portiek: gesuggereerde ingebouwde deurtoegang.
verjongende zuil: Zuil waarvan de schacht bovenaan kleiner in doorsnee is dan onderaan.


Vera Caremans - 2016

Reacties

Een reactie plaatsen

Populaire berichten van deze blog

Meerlenhoflaan wordt vernieuwd

Nieuw: Bar 24 aan terminus Schoonselhof

Van A tot Zwaantje: een eigenzinnig ABC over Hoboken - 7

Zon..... zomer....zomersalon

Nieuwe dansschool voor kinderen

Historische sprokkels: De Kermis van Hoboken van 1559

Van A tot Zwaantje: een eigenzinnig ABC over Hoboken - 4

Historische sprokkels: kijk op Moretusburg

Historische sprokkels: Café De (Nieuwe) Spiegel: een naam om als 'monument' te beschermen

Hoboken gaat voor sportief deze zomer